Tutorial over Stops…

  1. WAT BEDOELEN ZE MET ‘STOPS’ IN DE FOTOGRAFIE.

De term ‘Stops’ heeft alles te maken met de drie belangrijkste waarden waarmee we de belichting van een foto regelen. Je zult vast wel eens gehoord hebben van termen als; Diafragma, ISO en sluitertijd. Samen vormen zij de belichtingsdriehoek waar ik meer uitleg over geef in een ander artikel op mijn fotoblog. Elk van deze termen heeft zijn eigen waarde en getallen die we hieronder verder zullen bespreken.

De letterlijke vertaling van een ‘Stop’ is als volgt:

“Een stop is een halvering of verdubbeling van het licht.”

Als we dan weten dat we daar een halvering of verdubbeling van de sluitertijden, diafragma´s en ISO-instellingen mee bedoelen zijn we al een stapje verder. Elk van deze elementen heeft zijn eigen waarde en getallen die we hieronder verder zullen bespreken. Het concept “Stops” werd uitgevonden om de 3 elementen met elkaar te kunnen vergelijken. Wanneer we een belichting met +/- 1 stop gaan aanpassen, bedoelen we dat de belichting wordt aangepast met de vorige foto.

  1. DIAFRAGMA EN F/GETALLEN

f/1 – f/1,4 – f/2 – f/2,8 – f/4 – f/5,6 – f/8 – f/11 – f/16 – f/22 – f/32 – f/44 – f/64

Op de bovenstaande afbeelding zie je het effect van de verschillende diafragma waarden. Daaronder zie je een getallenreeks waarmee de getallenreeks voor het diafragma wordt aangegeven. Deze getallen worden ook wel eens F/stops genoemd of F/getal. Hier begint dan ook gelijk de verwarring!

We hadden namelijk al eerder gesteld dat: ‘elke stop een halvering of verdubbeling van het licht’ zou zijn. Voor de volledigheid moet ik melden dat dit niet zo het geval is bij het diafragma. Door de manier waarop f-getallen zijn berekent staat een ‘Stop’ niet gelijk aan het verdubbelen of halveren van het F-getal. Je moet een F-getal vermenigvuldigen of delen door 1.41 (wortel van 2). Dat is meteen de reden waarom ‘Hele Stops’ met stapjes van factor 1.414 lopen!

Voorbeeld: Wanneer je van f/16 naar f/11 gaat vergroot je de opening met 1 stop omdat 16 delen door 1.41 uitkomt op 11.

Oké, die info hebben we bij deze gedeeld, dan mogen we het gelijk weer vergeten! Ik had immers beloofd dat het niet ingewikkelder zou worden dan het als is. Wat je beter kunt onthouden is dit rijtje met F-getallen: f/1 – f/1,4 – f/2 – f/2,8 – f/4 – f/5,6 – f/8 – f/11 – f/16 – f/22 – f/32 – f/44 – f/64. Hier zit namelijk tussen elk getal dat je naar boven of beneden telt een hele ‘Stop’ tussen!

  1. ISO WAARDEN

50 – 100 – 200 – 400 – 800 – 1600 – 3200 – 6400 – 12800 – 25600 – 51200

Met het uitleggen van de F-getallen bij het diafragma hebben we ook gelijk de moeilijkste van de drie gehad. Bij de ISO waarden is het namelijk een stuk makkelijker rekenen wanneer je met ‘Stops’ gaat werken. Het basis getal bij ISO-waarden is 50 of 100 (het laagste wat mogelijk is) en je moet het getal verdubbelen of halveren voor 1 stop belichting meer of minder

Voorbeeld: Wanneer je de ISO waarde van 100 naar 200 zet, verdubbel je de lichtgevoeligheid van de sensor en verhoog je de belichting met +1 stop. Wanneer je de ISO waarde halveert van 1600 naar 800, verlaag je de lichtgevoeligheid ook met -1 Stop.

Het is dus weer een kwestie van de volgende ISO getallen goed onthouden: 50 – 100 – 200 – 400 – 800 – 1600 – 3200 – 6400 – 12800 – 25600 – 51200. Elk stapje van deze getallenreeks is zowel naar boven als beneden een ‘Hele Stop’.

  1. SLUITERTIJDEN IN SECONDEN

 1/8000 – 1/4000 – 1/2000 – 1/1000 – 1/500 – 1/250 – 1/125 – 1/60 – 1/30 – 1/15 – 1/8 – 1/4 -1/2 – 1s – 2 – 4 – 8 – 15 – 30

 

Een voorbeeld van een te lage sluitertijd.

De laatste van de belichtingsdriehoek om te onthouden is de sluitertijd. Met de sluitertijd bepaal je hoelang de sluiter geopend is wanneer je een foto maakt. Hoe langer de sluiter open is, hoe meer licht er op de sensor kan komen. De sluitertijd verdubbelen of halveren zorgt voor een verhoging of verlaging van -1 stop.

Voorbeeld: Wanneer je de sluitertijd van 1/125 van een seconden aanpast naar 1/250 van een seconden, dan halveer je de hoeveelheid licht dat naar binnen kan. Je kunt dan zeggen dat je de belichting met -1 stop hebt verlaagd. Je verdubbeld juist de hoeveelheid licht als je de sluitertijd verhoogd van 1/250 naar 1/125 met +1 ‘stop’

Het is verstandig om het rijtje met sluitertijden uit je hoofd te leren om te weten wat 1 stop is: 1/8000 – 1/4000 – 1/2000 – 1/1000 – 1/500 – 1/250 – 1/125 – 1/60 – 1/30 – 1/15 – 1/8 – 1/4 -1/2 – 1s – 2 – 4 – 8 – 15 – 30.  Elk stapje van deze getallenreeks is zowel naar boven als beneden een hele ‘Stop’.

  • LET OP: De sluitertijd geven we aan in een seconde en elke tijd die sneller is dan een seconde geven we aan in een breuk. Het kan dus verwarrend zijn wat nu sneller of langzamer is. Vergeet bij de sluitertijd dus vooral niet te onthouden: hoge breuken zijn sneller, veel seconden zijn langzamer.
  1. JE MAG GEWOON EEN ‘SPIEKBRIEFJE’ GEBRUIKEN

Nu we de ISO waarden, diafragma getallen en de sluitertijden hebben doorgenomen kunnen we een overzicht maken. De drie rijtjes voegen we samen in een ‘spiekbriefje’ die we ook wel eens ‘Cheatsheet’ genoemd. Wie even gaat zoeken op google afbeeldingen kan er genoeg vinden.

Het onderstaande voorbeeld is zo’n afbeelding waar we de bovenstaande rijtjes hebben samengevoegd. Bewaarde deze afbeelding, print hem uit, maak een ‘PrintScreen’ of knip hem uit om te plastificeren.  Ideaal voor in je fototas om te bewaren. Er is namelijk altijd wel een moment dat je gaat twijfelen of vastloopt. Zorg dat je dan dit voorbeeld bij de hand hebt zodat je weer verder kunt met mooie foto’s maken.

Print uit en neem mee op pad

 

 

  1. VERWAR STOPS NIET MET TUSSENSTOPS

Wanneer je met ‘Stops’ gaat werken is het namelijk belangrijk om te weten dat er ‘Hele Stops’ zijn maar ook ‘Halve stops’ en ‘1/3 Stops’!

Moderne digitale camera’s geven tegenwoordig verschillende waardes tussen de waardes die hierboven op de afbeeldingen staan weergegeven. Deze zogenoemde ‘Tussenstops’ (tussenwaarden) werken dus met een met een halve of 1/3e van een ‘Stop’. Zo kan het diafragma bijvoorbeeld in plaats van f/4 naar f/5.6 eerst naar f/4.5 en f/5.0 gaan. Hetzelfde is dan ook mogelijk bij de sluitertijd en de ISO. Om het overzicht te behouden zou je ervoor kunnen kiezen deze instelling uit te schakelen totdat je de werking van stops onder controle hebt. De reeks getallen die hierboven in de afbeelding staan zijn namelijk de ‘Hele Stops’!

Heb je de werking van ‘Stops’ onder controle dan zou je de instellingen weer kunnen veranderen. Door de toevoeging van halve en 1/3 stops maakt dit over de werking van ’Stops’ niet uit. Een ‘Hele stop’ blijft namelijk een halvering of verdubbeling. Je moet alleen vaker draaien aan het instel-wiel op je camera om bij een hele stop te komen. Verder zul je de getallen van de ‘Hele stops’ uit je hoofd moeten weten maar je mag natuurlijk een spiekbriefje gebruiken;-)

  1. DE JUISTE BELICHTING BEPALEN

Nu we het beginsel van ‘Stops’ hebben uitgelegd kunnen we ons iets meer gaan verdiepen in een juiste belichting van je foto. Over de precieze werking zou je meer moeten lezen in mijn artikel over de belichtingsdriehoek. We weten dus nu dat diafragma, sluitertijd en ISO met elkaar zijn verbonden en dat ook de stops van deze elementen met elkaar zijn verbonden. Maken we nou een foto en je ziet dat deze te donker of te licht is, dan weet je dat je iets moet gaan aanpassen. We komen dan vrij snel tot de conclusie dat je moet uitzoeken hoeveel stops je moet aanpassen om wel de juiste belichting te krijgen. Aan de hand van de onderstaande gegevens geef ik een aantal voorbeelden.

 

Dit was een pittig stukje theorie, maar wel belangrijk dat je weet wat stops nu precies inhoud.

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top